Verzetsheld tot de oorlogsvlag werd gestreken
Geplaatst: 02 mei 2008 20:16, laatste wijziging: 02 mei 2008 20:16
door onze redacteur Stephan Bol
Ruim zestig jaar bleef het verzetsverhaal van Jan van Weerden onbekend. Hij nam het mee naar Canada waar hij in 1953 naartoe emigreerde, omdat hij zijn draai in bevrijd Nederland niet kon vinden. Zijn voorzichtigheid en godsvertrouwen hielpen hem de oorlogsjaren door, maar weerhielden hem niet mee te werken aan executies en overvallen en de vijand voor te liegen zolang de oorlogsvlag nog boven Nederland wapperde.
1 reactie
4 waarderingen
1 reactie
4 waarderingen
ST. ALBERT - ,,Niet te dicht bij het raam, Jan. Ze kunnen wel schieten als ze je zien'', waarschuwde de moeder van Jan van Weerden toen ze op zondagochtend 12 mei 1940 bij het raam keken naar de voorbijtrekkende Duitse troepen door de stad Groningen. ,,Ja, dat zou best kunnen'', zei Van Weerden, ,,misschien denken ze wel dat we 'franc-tireurs' zijn, met vijandige bedoelingen.''
Voor de bewoners van Groningen had de open strijd tegen de Duitsers nog geen dag geduurd. Al op 10 mei werd de stad overgedragen in handen van de nieuwe bezetter. Van Weerden zag op het dak van zijn ouderlijk huis aan de Friesestraatweg de machtswisseling plaatsvinden. ,,We stonden eigenlijk te kijken of er vliegtuigen overkwamen. Toen zag ik opeens dat de Nederlandse vlag naar beneden ging en een rode vlag werd gehesen. Ik zei tegen mijn broer: 'Gar, dat is de bezettingsvlag, ze zijn hier'.''
Jan van Weerden was verzetsstrijder van het eerste uur. In vierenhalf jaar tijd deed hij aan zeker 72 operaties van de ondergrondse mee. Na de oorlog werd hij erkend als verzetsstrijder. In 1953 emigreerde hij naar Canada en nam zijn verhaal met zich mee. Waar verzetshelden als Johannes Post en Frits (Slomp) de Zwerver op een voetstuk werden geplaatst bij het christelijke volksdeel, bleven de verzetsdaden van Van Weerden alleen bij directbetrokkenen bekend. Tot LaVyne Osbak, een Canadese journaliste, hem overhaalde om aan de hand van zijn oorspronkelijke verzetsrapport zijn verhaal te vertellen. Samen zetten ze het op papier en afgelopen 19 april verscheen zijn boek in Nederland onder de titel De oorlogsvlag.
Zolang die vlag boven Nederland wapperde, verzette Van Weerden zich tegen de Duitse bezetter. ,,Ik zat er al vroeg in'', zegt hij, ,,ik zag al heel vroeg wat er fout was aan de nazi's.'' Dat was volgens hem te danken aan zijn gereformeerde opvoeding. ,,Verhalen over de Watergeuzen en de tachtigjarige oorlog slokte ik allemaal op. En op de jongelingsvereniging kregen we inleidingen over het nazisme en het communisme. Ik was zeventien, maar wist drommels goed wie Hitler was en waarop hij zijn ideologie baseerde. Het stond dwars op de Bijbel. Dus toen de moffen kwamen, was het voor mij duidelijk; zij hadden hier niets te maken.''
In september 1940 vroeg zijn klasgenoot Simon Smit van de hbs of hij wilde helpen met ,,een geheime groep die in actie komt tegen de Duitsers''. Fred Kramer was een van de leiders van het prille Groninger verzet. Hij gaf Van Weerden zijn eerste opdrachten. Het begon met het verspreiden van Vrij Nederland, maar al snel leerde hij mensen te volgen, te infiltreren en executeren.
Door verraad moest Van Weerden de stad Groningen ontvluchten. Hij dook onder en nam de schuilnaam Wim van Buren aan, de naam waaronder hij bekend zou worden in het verzet. Het was vooral aan zijn voorzichtige instelling te danken dat hij de hele oorlog door uit handen van de Duitsers wist te blijven. Steeds weer wisselde hij van uiterlijk en naam. Na grote overvallen of executies van landverraders hield hij zich vaak lange tijd schuil. Na zijn vlucht uit Groningen was het eigenlijk zijn bedoeling de oversteek naar Engeland te maken. Hij kwam tot Scheveningen, maar toen hij daar bijna verraden werd, zette hij dit plan steeds verder uit zijn hoofd. Van Weerden keerde terug naar Overijssel naar De Krim waar hij tijdens zijn vlucht goede contacten had gelegd. Hij overtuigde daar een groep Joden in een werkkamp van het gevaar dat hun wachtte in concentratiekampen over de grens. Hij hielp twaalf Joden te ontsnappen en onder te duiken bij voornamelijk gereformeerde boeren. Langzaamaan vormde zich een gereformeerde verzetsgroep waarin Van Weerden een belangrijke positie innam. Naast de plaatselijke bevolking sloten zich verschillende onderduikers uit Groningen bij de groep aan.
Stoppen?
Toen zijn ouders er bij een bezoek in Overijssel achter kwamen dat hij tijdens een jaar onderduiken niet stilgezeten had, maanden zij hem nóg voorzichtiger te zijn. ,,Jan, zou het niet beter zijn om jouw verzet op te geven en de rest van de oorlog veilig door te brengen op de een of ander boerderij?'', vroeg zijn vader. Hij keek zijn vader aan en zei rustig: ,,Nee, vader, ik moet hiermee doorgaan tot Nederland weer vrij is. Pas dan heb ik mijn plicht gedaan - wanneer de Duitse oorlogsvlag niet meer op het Groningse stadhuis wappert.''
Waar vader Van Weerden hem probeerde af te remmen, was zijn moeder op een bepaalde manier een voedingsbodem voor zijn verzet. Vooral haar analyse 'vandaag zijn het de joden, morgen de christenen' dreef hem tot actie. ,,Ik hoop alleen dat je met je daden op het rechte pad blijft, zodat je zonder schuld voor God kunt verschijnen'', waarschuwde ze hem. Samen met zijn gereformeerde verzetskameraden moest hij uit dit dilemma zien te komen. Zeker waar het executies van landverraders betrof. ,,We voerden het doodvonnis alleen uit om onschuldige mensen te beschermen en deden het altijd met z'n tweeën.''
Toch voelden ze zich vaak slecht na een executie, zeker omdat ze beseften dat ze zo iemand ,,de eeuwigheid in gejaagd hadden''. Maar terugkijkend heeft hij ,,geen moment spijt van welke verzetsdaad dan ook. Het was oorlog''. ,,Ik had een eenpersoonsoorlog met oom Adolf, de meest demonische dictator die ooit had geleefd. Ik en mijn vrienden, wij vochten voor de vrije bodem waarop wij waren geboren. Wij dienden God en niemand anders.''
Heiligen
De twee mannen die hem bij het verzet introduceerden, waren uit heel ander hout gesneden dan Van Weerden zelf. Smit liep al vrij snel over naar de NSB. Kramer werd in Groningen gearresteerd en ter dood veroordeeld. De ondergrondse wist hem te bevrijden. Hij kwam uiteindelijk ook in De Krim terecht. Daar zetten ze hun eigen verzetsgroep op. Vanaf 1943 pleegden ze hun eigen kraken bij distributiekantoren van bonkaarten en persoonsbewijzen. Kramer verwijderde zich steeds meer van de vaste groep. ,,Op een gegeven moment kwamen mijn vrienden naar me toe en zeiden: 'je moet eens bij Kramer gaan kijken.' Toen ik op de boerderij kwam, waar hij was ondergedoken, wist ik niet wat ik zag. Zijn hele kamer hing vol met dure schilderijen, er stond voor duizenden euro's aan boeken en hij had een vleugelpiano staan, die in die tijd minstens honderdduizend gulden waard was.'' De bonkaarten die de Knokploeg (KP) bemachtigde, waren miljoenen guldens waard. Kramer was gezwicht voor de zwarte handel. ,,Dat gebeurde ook in het verzet'', zegt Van Weerden. ,,Een op de twintig KP'ers was een dief. We waren echt niet allemaal heiligen.''
Hoewel Van Weerden zich zelf ver hield van zwarte handel en na een bankoverval zelfs honderdduizend gulden als 'terechte beloning' afsloeg, benadrukt hij steeds weer dat hij zichzelf geen held vindt en ook fouten maakte. Zo trokken twee studenten in Arnhem zich vlak voor een overval terug uit angst, waardoor Van Weerden alleen naar het distributiekantoor moest. ,,Toen werd ik kwaad. We waren allemaal onzeker en bang. Ik ook. Maar al die onderduikers, de Joden moesten toch te eten hebben? De Duitsers mochten niet winnen. Toen ben ik maar alleen gegaan.'' Naar eigen zeggen betrof het hier misschien wel de eerste overval op een distributiecentrum in Nederland. De ambtenaren werden compleet verrast door de eenzame overvaller en het ging wonderbaarlijk goed, maar achteraf gezien was het zeker voor de voorzichtige Van Weerden tamelijk roekeloos.
Ondanks het gevaar dat overal op de loer lag, peinsde Van Weerden er niet over zijn verzet op te geven. ,,We deden wat we moesten doen.'' Over de vele Nederlanders die in de oorlog liever eieren voor hun geld kozen, wil hij geen oordeel vellen. ,,Dat anderen niets deden, is hun eigen verantwoordelijkheid.''
,,Er was maar een klein gedeelte dat standvastig was'', zegt Van Weerden. Hij heeft zijn boek vooral geschreven om ,,de vele dappere gezinnen'' te gedenken die hem en zijn makkers belangeloos ondersteunden. Met name de families Smeenk en Zomer hadden hun deur wijd openstaan voor de verzetsgroep. ,,Wij waren de jongens die met de pistolen op zak liepen en de zogenaamde helden waren. Maar het was de burger die ons onderdak verschafte, die onze was deed en ons te eten gaf in moeilijke tijden. Dat is altijd onderschat door ons.'' Zeker twintig, met name gereformeerde boerengezinnen, boden hem in die jaren een veilige schuilplaats. Van Weerden beschrijft in detail hun bezorgdheid en de lekkernijen die ze ondanks alles steeds weer op tafel wisten te zetten.
Absteigen!
Als de dag van gisteren herinnert Van Weerden zich ook nog de momenten waarop het kantje boord was. Zo hoorde hij onderweg naar treinstation Gramsbergen ineens een scherpe stem achter zich: 'Halt! Absteigen!' Duitse soldaten gewapend met machinepistolen omringden zijn fiets. Van Weerden voelde zijn pistool in zijn zak branden, maar wist zich uiterlijk rustig te houden. ,,Ik zei steeds maar weer: 'Heer, help mij'. Ik wist dat ik weg was als ze me zouden fouilleren en dat was routine. Maar hij bekeek mijn papieren en zei: 'weitergehen'. Achteraf zegt hij dat hij dankzij het geloof de noodzakelijke kalmte wist te bewaren.
Toen hij later in de oorlog op station Maastricht per abuis het Wehrmachtsperron op liep, werd Van Weerdens geduld helemaal op de proef gesteld. Een verzetsvriendin, Clarie, opperde dat het goed voor hen zou zijn er eens tussenuit te gaan voor een weekendje Maastricht. Zonder voor verzetswerk actief te zijn, liep hij, gewapend en al, in handen van de vijand. Een Duitser hield hem aan en nam hem mee naar zijn officier. ,,Ik voelde me echt een stommerik, hoe kon ik dat doen? Het was ook helemaal niet nodig dat ik daar kwam en toch werd ik opgepakt. Toen bad ik: Heer, ik ben ook niet volmaakt, ik maak ook fouten. Wilt U mij hieruit redden.'' De officier op het station ondervroeg hem, maar maakte nog geen aanstalten om hem gevangen te zetten. Toen hij vervolgens in slaap viel, wilde Van Weerden hem in eerste instantie een kogel door zijn hoofd jagen. ,,Toen hoorde ik een stille stem van God die zei 'rustig aan, joh'. Dus bleef Van Weerden als een David in de spelonk met Saul zitten tot de Duitser na twee uur wakker werd en vroeg: ,,Ben je er nog? Ga dan maar.''
Gods hand
Van Weerden kroop uiteindelijk door het oog van de naald en overleefde de oorlog. Johannes Post die met zijn KP vanuit het nabijgelegen Nieuwlande opereerde, moest zijn activiteiten uiteindelijk met de dood bekopen. Van Weerden heeft ondanks verzoeken van Post nooit met diens KP samengewerkt. ,,Die mensen stonden voor niets. Er stonden daar soms zomaar zeventig fietsen rond de boerderij en er liepen allemaal kinderen met van die zwarte koppies rond. Prachtig werk, maar ze moesten wel voorzichtiger zijn, vond ik.'' Hij wil daarmee niet zeggen dat hij het door zijn voorzichtigheid overleefd heeft. Nu zijn verhaal bekend wordt in zijn kerkelijke gemeente in Canada, zeggen mensen daar ook tegen hem: ,,Jan, God had zijn handen op jouw leven.''
Naarmate het einde van de oorlog naderde, raakte Van Weerden ook steeds meer betrokken bij spionageactiviteiten. Via oom Kees, schuilnaam van de commandant van de marechaussee van Coevorden, Deij, kreeg hij informatie door van Nederlandse arbeiders in Duitsland. Aan hem de taak om de locatie van deze veelal wapenfabrieken door te geven naar Engeland, zodat ze gebombardeerd konden worden. Van Weerden wist met succes de locatie van fabrieken in Maagdenburg, waar onderdelen voor de ontwikkeling van een Duits atoomwapen geproduceerd werden, door te geven. Via het spionagenetwerk kreeg Van Weerden ook al tijdens de oorlog detailverslagen van de verschrikkingen in de concentratiekampen Auschwitz en Birkenau.
Tegen het einde van de oorlog raakte Van Weerden nauw betrokken bij wapendroppings van de geallieerden voor het Nederlands verzet. De Duitsers gingen deze droppings steeds vaker gebruiken om verzetsgroepen op te rollen. Bij een inval op een boerderij waar Van Weerden verbleef, wist deze zich door glashard te liegen als enige uit de handen van de SD te praten. Liegen mocht, zegt Van Weerden, want was de leugen van Rachab, in Jericho, niet ook beloond door God?
Toen de langverwachte bevrijding van het oosten van Nederland kwam, wilde Van Weerden zo snel mogelijk naar zijn ouders. Van verzetsvrienden kreeg hij een verborgen motor en als bevrijd man reed hij naar Groningen. Daar werd nog gestreden. Door een explosie liep hij daar uiteindelijk nog zijn grootste verwonding tijdens de oorlog op. Vanuit zijn ziekenhuisbed keek Van Weerden uit het raam uit op de Martinikerk. ,,Ik keek weer door het raam en wat ik daar zag, deed mijn hart sneller kloppen. Aan een lange mast, in de verte, boven het stadhuis, ging langzaam, stukje bij beetje, de Nederlandse vlag omhoog. Hoe prachtig was het om nu het Nederlandse rood-wit-blauw weer te zien wapperen over een bevrijde stad in een bijna bevrijd land.''
Naar aanleiding van Jan van Weerden, De oorlogsvlag, uitgeverij Heijink, Hardenberg 2008
-----------------------
Na de oorlog
,,Na de oorlog was ik een niemendal'', zegt Jan van Weerden. De angst die tijdens de oorlog al leefde bij het verzet, werd bewaarheid: iedereen wilde met de eer strijken, waardoor erkenning voor de echte verzetsstrijders uitbleef. Van Weerden kreeg wel zijn verzetspensioen, maar vooral in de eerste jaren na de oorlog werd er nauwelijks rekening gehouden met de geestelijke beschadiging die verzetsmensen tijdens de oorlog hadden opgelopen. ,,Na de bevrijding kwamen wij als verzetsgroep in een vacuüm terecht. We hadden zoveel meegemaakt, maar niemand had belangstelling voor ons. Iedereen was ziek van de oorlog, en wilde er het liefst niets meer over horen.''
Terwijl heel Nederland direct aan de opbouw wilde beginnen, met de handen uit de mouwen, kwamen verzetsmensen als Van Weerden zwaar uitgeput uit de oorlog. ,,Je was vierenhalf jaar in de weer en op de vlucht. Ieder moment kon de vijand toeslaan. Met ons laatste beetje energie sleepten we ons naar het einde van de oorlog. Toen de bevrijding kwam, waren we zo slap als een vaatdoek.'' Volgens Van Weerden waren vele verzetsmensen zwaar overspannen. Hij rekent zichzelf hier ook toe. Na vierenhalf jaar vol overvallen en executies moest hij weer terug naar de schoolbanken van de hbs. In Nederland kon hij geen fatsoenlijk baantje krijgen. ,,Daarvoor was ik niet in het verzet gegaan.'' Hij besloot in 1953 naar Canada te vertrekken. Daar kwam hij uiteindelijk goed terecht en kreeg hij een baan in de farmacie. Inmiddels is hij gepensioneerd en voorganger en ziekenhuiskapelaan in een pinkstergemeente. Van Weerden is 83 jaar.
Voor de bewoners van Groningen had de open strijd tegen de Duitsers nog geen dag geduurd. Al op 10 mei werd de stad overgedragen in handen van de nieuwe bezetter. Van Weerden zag op het dak van zijn ouderlijk huis aan de Friesestraatweg de machtswisseling plaatsvinden. ,,We stonden eigenlijk te kijken of er vliegtuigen overkwamen. Toen zag ik opeens dat de Nederlandse vlag naar beneden ging en een rode vlag werd gehesen. Ik zei tegen mijn broer: 'Gar, dat is de bezettingsvlag, ze zijn hier'.''
Jan van Weerden was verzetsstrijder van het eerste uur. In vierenhalf jaar tijd deed hij aan zeker 72 operaties van de ondergrondse mee. Na de oorlog werd hij erkend als verzetsstrijder. In 1953 emigreerde hij naar Canada en nam zijn verhaal met zich mee. Waar verzetshelden als Johannes Post en Frits (Slomp) de Zwerver op een voetstuk werden geplaatst bij het christelijke volksdeel, bleven de verzetsdaden van Van Weerden alleen bij directbetrokkenen bekend. Tot LaVyne Osbak, een Canadese journaliste, hem overhaalde om aan de hand van zijn oorspronkelijke verzetsrapport zijn verhaal te vertellen. Samen zetten ze het op papier en afgelopen 19 april verscheen zijn boek in Nederland onder de titel De oorlogsvlag.
Zolang die vlag boven Nederland wapperde, verzette Van Weerden zich tegen de Duitse bezetter. ,,Ik zat er al vroeg in'', zegt hij, ,,ik zag al heel vroeg wat er fout was aan de nazi's.'' Dat was volgens hem te danken aan zijn gereformeerde opvoeding. ,,Verhalen over de Watergeuzen en de tachtigjarige oorlog slokte ik allemaal op. En op de jongelingsvereniging kregen we inleidingen over het nazisme en het communisme. Ik was zeventien, maar wist drommels goed wie Hitler was en waarop hij zijn ideologie baseerde. Het stond dwars op de Bijbel. Dus toen de moffen kwamen, was het voor mij duidelijk; zij hadden hier niets te maken.''
In september 1940 vroeg zijn klasgenoot Simon Smit van de hbs of hij wilde helpen met ,,een geheime groep die in actie komt tegen de Duitsers''. Fred Kramer was een van de leiders van het prille Groninger verzet. Hij gaf Van Weerden zijn eerste opdrachten. Het begon met het verspreiden van Vrij Nederland, maar al snel leerde hij mensen te volgen, te infiltreren en executeren.
Door verraad moest Van Weerden de stad Groningen ontvluchten. Hij dook onder en nam de schuilnaam Wim van Buren aan, de naam waaronder hij bekend zou worden in het verzet. Het was vooral aan zijn voorzichtige instelling te danken dat hij de hele oorlog door uit handen van de Duitsers wist te blijven. Steeds weer wisselde hij van uiterlijk en naam. Na grote overvallen of executies van landverraders hield hij zich vaak lange tijd schuil. Na zijn vlucht uit Groningen was het eigenlijk zijn bedoeling de oversteek naar Engeland te maken. Hij kwam tot Scheveningen, maar toen hij daar bijna verraden werd, zette hij dit plan steeds verder uit zijn hoofd. Van Weerden keerde terug naar Overijssel naar De Krim waar hij tijdens zijn vlucht goede contacten had gelegd. Hij overtuigde daar een groep Joden in een werkkamp van het gevaar dat hun wachtte in concentratiekampen over de grens. Hij hielp twaalf Joden te ontsnappen en onder te duiken bij voornamelijk gereformeerde boeren. Langzaamaan vormde zich een gereformeerde verzetsgroep waarin Van Weerden een belangrijke positie innam. Naast de plaatselijke bevolking sloten zich verschillende onderduikers uit Groningen bij de groep aan.
Stoppen?
Toen zijn ouders er bij een bezoek in Overijssel achter kwamen dat hij tijdens een jaar onderduiken niet stilgezeten had, maanden zij hem nóg voorzichtiger te zijn. ,,Jan, zou het niet beter zijn om jouw verzet op te geven en de rest van de oorlog veilig door te brengen op de een of ander boerderij?'', vroeg zijn vader. Hij keek zijn vader aan en zei rustig: ,,Nee, vader, ik moet hiermee doorgaan tot Nederland weer vrij is. Pas dan heb ik mijn plicht gedaan - wanneer de Duitse oorlogsvlag niet meer op het Groningse stadhuis wappert.''
Waar vader Van Weerden hem probeerde af te remmen, was zijn moeder op een bepaalde manier een voedingsbodem voor zijn verzet. Vooral haar analyse 'vandaag zijn het de joden, morgen de christenen' dreef hem tot actie. ,,Ik hoop alleen dat je met je daden op het rechte pad blijft, zodat je zonder schuld voor God kunt verschijnen'', waarschuwde ze hem. Samen met zijn gereformeerde verzetskameraden moest hij uit dit dilemma zien te komen. Zeker waar het executies van landverraders betrof. ,,We voerden het doodvonnis alleen uit om onschuldige mensen te beschermen en deden het altijd met z'n tweeën.''
Toch voelden ze zich vaak slecht na een executie, zeker omdat ze beseften dat ze zo iemand ,,de eeuwigheid in gejaagd hadden''. Maar terugkijkend heeft hij ,,geen moment spijt van welke verzetsdaad dan ook. Het was oorlog''. ,,Ik had een eenpersoonsoorlog met oom Adolf, de meest demonische dictator die ooit had geleefd. Ik en mijn vrienden, wij vochten voor de vrije bodem waarop wij waren geboren. Wij dienden God en niemand anders.''
Heiligen
De twee mannen die hem bij het verzet introduceerden, waren uit heel ander hout gesneden dan Van Weerden zelf. Smit liep al vrij snel over naar de NSB. Kramer werd in Groningen gearresteerd en ter dood veroordeeld. De ondergrondse wist hem te bevrijden. Hij kwam uiteindelijk ook in De Krim terecht. Daar zetten ze hun eigen verzetsgroep op. Vanaf 1943 pleegden ze hun eigen kraken bij distributiekantoren van bonkaarten en persoonsbewijzen. Kramer verwijderde zich steeds meer van de vaste groep. ,,Op een gegeven moment kwamen mijn vrienden naar me toe en zeiden: 'je moet eens bij Kramer gaan kijken.' Toen ik op de boerderij kwam, waar hij was ondergedoken, wist ik niet wat ik zag. Zijn hele kamer hing vol met dure schilderijen, er stond voor duizenden euro's aan boeken en hij had een vleugelpiano staan, die in die tijd minstens honderdduizend gulden waard was.'' De bonkaarten die de Knokploeg (KP) bemachtigde, waren miljoenen guldens waard. Kramer was gezwicht voor de zwarte handel. ,,Dat gebeurde ook in het verzet'', zegt Van Weerden. ,,Een op de twintig KP'ers was een dief. We waren echt niet allemaal heiligen.''
Hoewel Van Weerden zich zelf ver hield van zwarte handel en na een bankoverval zelfs honderdduizend gulden als 'terechte beloning' afsloeg, benadrukt hij steeds weer dat hij zichzelf geen held vindt en ook fouten maakte. Zo trokken twee studenten in Arnhem zich vlak voor een overval terug uit angst, waardoor Van Weerden alleen naar het distributiekantoor moest. ,,Toen werd ik kwaad. We waren allemaal onzeker en bang. Ik ook. Maar al die onderduikers, de Joden moesten toch te eten hebben? De Duitsers mochten niet winnen. Toen ben ik maar alleen gegaan.'' Naar eigen zeggen betrof het hier misschien wel de eerste overval op een distributiecentrum in Nederland. De ambtenaren werden compleet verrast door de eenzame overvaller en het ging wonderbaarlijk goed, maar achteraf gezien was het zeker voor de voorzichtige Van Weerden tamelijk roekeloos.
Ondanks het gevaar dat overal op de loer lag, peinsde Van Weerden er niet over zijn verzet op te geven. ,,We deden wat we moesten doen.'' Over de vele Nederlanders die in de oorlog liever eieren voor hun geld kozen, wil hij geen oordeel vellen. ,,Dat anderen niets deden, is hun eigen verantwoordelijkheid.''
,,Er was maar een klein gedeelte dat standvastig was'', zegt Van Weerden. Hij heeft zijn boek vooral geschreven om ,,de vele dappere gezinnen'' te gedenken die hem en zijn makkers belangeloos ondersteunden. Met name de families Smeenk en Zomer hadden hun deur wijd openstaan voor de verzetsgroep. ,,Wij waren de jongens die met de pistolen op zak liepen en de zogenaamde helden waren. Maar het was de burger die ons onderdak verschafte, die onze was deed en ons te eten gaf in moeilijke tijden. Dat is altijd onderschat door ons.'' Zeker twintig, met name gereformeerde boerengezinnen, boden hem in die jaren een veilige schuilplaats. Van Weerden beschrijft in detail hun bezorgdheid en de lekkernijen die ze ondanks alles steeds weer op tafel wisten te zetten.
Absteigen!
Als de dag van gisteren herinnert Van Weerden zich ook nog de momenten waarop het kantje boord was. Zo hoorde hij onderweg naar treinstation Gramsbergen ineens een scherpe stem achter zich: 'Halt! Absteigen!' Duitse soldaten gewapend met machinepistolen omringden zijn fiets. Van Weerden voelde zijn pistool in zijn zak branden, maar wist zich uiterlijk rustig te houden. ,,Ik zei steeds maar weer: 'Heer, help mij'. Ik wist dat ik weg was als ze me zouden fouilleren en dat was routine. Maar hij bekeek mijn papieren en zei: 'weitergehen'. Achteraf zegt hij dat hij dankzij het geloof de noodzakelijke kalmte wist te bewaren.
Toen hij later in de oorlog op station Maastricht per abuis het Wehrmachtsperron op liep, werd Van Weerdens geduld helemaal op de proef gesteld. Een verzetsvriendin, Clarie, opperde dat het goed voor hen zou zijn er eens tussenuit te gaan voor een weekendje Maastricht. Zonder voor verzetswerk actief te zijn, liep hij, gewapend en al, in handen van de vijand. Een Duitser hield hem aan en nam hem mee naar zijn officier. ,,Ik voelde me echt een stommerik, hoe kon ik dat doen? Het was ook helemaal niet nodig dat ik daar kwam en toch werd ik opgepakt. Toen bad ik: Heer, ik ben ook niet volmaakt, ik maak ook fouten. Wilt U mij hieruit redden.'' De officier op het station ondervroeg hem, maar maakte nog geen aanstalten om hem gevangen te zetten. Toen hij vervolgens in slaap viel, wilde Van Weerden hem in eerste instantie een kogel door zijn hoofd jagen. ,,Toen hoorde ik een stille stem van God die zei 'rustig aan, joh'. Dus bleef Van Weerden als een David in de spelonk met Saul zitten tot de Duitser na twee uur wakker werd en vroeg: ,,Ben je er nog? Ga dan maar.''
Gods hand
Van Weerden kroop uiteindelijk door het oog van de naald en overleefde de oorlog. Johannes Post die met zijn KP vanuit het nabijgelegen Nieuwlande opereerde, moest zijn activiteiten uiteindelijk met de dood bekopen. Van Weerden heeft ondanks verzoeken van Post nooit met diens KP samengewerkt. ,,Die mensen stonden voor niets. Er stonden daar soms zomaar zeventig fietsen rond de boerderij en er liepen allemaal kinderen met van die zwarte koppies rond. Prachtig werk, maar ze moesten wel voorzichtiger zijn, vond ik.'' Hij wil daarmee niet zeggen dat hij het door zijn voorzichtigheid overleefd heeft. Nu zijn verhaal bekend wordt in zijn kerkelijke gemeente in Canada, zeggen mensen daar ook tegen hem: ,,Jan, God had zijn handen op jouw leven.''
Naarmate het einde van de oorlog naderde, raakte Van Weerden ook steeds meer betrokken bij spionageactiviteiten. Via oom Kees, schuilnaam van de commandant van de marechaussee van Coevorden, Deij, kreeg hij informatie door van Nederlandse arbeiders in Duitsland. Aan hem de taak om de locatie van deze veelal wapenfabrieken door te geven naar Engeland, zodat ze gebombardeerd konden worden. Van Weerden wist met succes de locatie van fabrieken in Maagdenburg, waar onderdelen voor de ontwikkeling van een Duits atoomwapen geproduceerd werden, door te geven. Via het spionagenetwerk kreeg Van Weerden ook al tijdens de oorlog detailverslagen van de verschrikkingen in de concentratiekampen Auschwitz en Birkenau.
Tegen het einde van de oorlog raakte Van Weerden nauw betrokken bij wapendroppings van de geallieerden voor het Nederlands verzet. De Duitsers gingen deze droppings steeds vaker gebruiken om verzetsgroepen op te rollen. Bij een inval op een boerderij waar Van Weerden verbleef, wist deze zich door glashard te liegen als enige uit de handen van de SD te praten. Liegen mocht, zegt Van Weerden, want was de leugen van Rachab, in Jericho, niet ook beloond door God?
Toen de langverwachte bevrijding van het oosten van Nederland kwam, wilde Van Weerden zo snel mogelijk naar zijn ouders. Van verzetsvrienden kreeg hij een verborgen motor en als bevrijd man reed hij naar Groningen. Daar werd nog gestreden. Door een explosie liep hij daar uiteindelijk nog zijn grootste verwonding tijdens de oorlog op. Vanuit zijn ziekenhuisbed keek Van Weerden uit het raam uit op de Martinikerk. ,,Ik keek weer door het raam en wat ik daar zag, deed mijn hart sneller kloppen. Aan een lange mast, in de verte, boven het stadhuis, ging langzaam, stukje bij beetje, de Nederlandse vlag omhoog. Hoe prachtig was het om nu het Nederlandse rood-wit-blauw weer te zien wapperen over een bevrijde stad in een bijna bevrijd land.''
Naar aanleiding van Jan van Weerden, De oorlogsvlag, uitgeverij Heijink, Hardenberg 2008
-----------------------
Na de oorlog
,,Na de oorlog was ik een niemendal'', zegt Jan van Weerden. De angst die tijdens de oorlog al leefde bij het verzet, werd bewaarheid: iedereen wilde met de eer strijken, waardoor erkenning voor de echte verzetsstrijders uitbleef. Van Weerden kreeg wel zijn verzetspensioen, maar vooral in de eerste jaren na de oorlog werd er nauwelijks rekening gehouden met de geestelijke beschadiging die verzetsmensen tijdens de oorlog hadden opgelopen. ,,Na de bevrijding kwamen wij als verzetsgroep in een vacuüm terecht. We hadden zoveel meegemaakt, maar niemand had belangstelling voor ons. Iedereen was ziek van de oorlog, en wilde er het liefst niets meer over horen.''
Terwijl heel Nederland direct aan de opbouw wilde beginnen, met de handen uit de mouwen, kwamen verzetsmensen als Van Weerden zwaar uitgeput uit de oorlog. ,,Je was vierenhalf jaar in de weer en op de vlucht. Ieder moment kon de vijand toeslaan. Met ons laatste beetje energie sleepten we ons naar het einde van de oorlog. Toen de bevrijding kwam, waren we zo slap als een vaatdoek.'' Volgens Van Weerden waren vele verzetsmensen zwaar overspannen. Hij rekent zichzelf hier ook toe. Na vierenhalf jaar vol overvallen en executies moest hij weer terug naar de schoolbanken van de hbs. In Nederland kon hij geen fatsoenlijk baantje krijgen. ,,Daarvoor was ik niet in het verzet gegaan.'' Hij besloot in 1953 naar Canada te vertrekken. Daar kwam hij uiteindelijk goed terecht en kreeg hij een baan in de farmacie. Inmiddels is hij gepensioneerd en voorganger en ziekenhuiskapelaan in een pinkstergemeente. Van Weerden is 83 jaar.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.
Reacties (1)
ushous (07 april 2009 19:23)
Een indrukwekkend en aangrijpend document. In detail, alsof het gister gebeurd is, verteld Jan van Weerden hoe het er tijdens het verzet aan toe ging. Iedereen zou dit boek moeten lezen, om te begrijpen dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Wat dat betreft een nog altijd zeer aktueel boek.



RSS