Politiek
Art. 147, een dode letter met een functie
Geplaatst: 14 maart 2008 21:17, laatste wijziging: 14 maart 2008 21:17
door onze redacteur Gerard Beverdam
Vooralsnog staat artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht nog overeind, na het debat van donderdag. Slechts drie keer werd iemand veroordeeld op basis van 'smalende godslastering'.
DEN HAAG - De PvdA behoort tot de Kamermeerderheid die afschaffing van artikel 147 bepleit, maar de coalitiegenoot van CDA en ChristenUnie laat een voorstel daartoe over aan de regering. CDA-minister Hirsch Ballin laat nu eerst onderzoeken hoe het wetsartikel over smalende godslastering zich verhoudt tot artikel 137, dat over beledigen in algemenere zin gaat.
Sinds de invoering in 1932 heeft strafwetartikel 147 tot slechts drie veroordelingen geleid. In 1965 werd de latere hoogleraar Bram de Swaan veroordeeld voor zijn bijdrage aan het 'Extra Jezusnummer' van het studentenweekblad Propria Cures . Hij noemde Jezus 'de welbespraakte, door actieve zelfstudie opgeklommen timmermanszoon'. De Swaan dacht een deel van het evangelie in een 'lollig' jasje te hebben gestoken en gebruikte verder termen als 'volksmenner', 'gebedsgenezer', 'gynaecoloog', 'kampioen-surf-rider' en 'amateur-ombudsman'.
De rechter achtte dat ,,smalend, verachtend, grovelijk spottend of honend ten opzicht van de persoon Jezus Christus''. De Swaan kreeg een boete van honderd gulden, die een oom voor hem betaalde. Studenten brachten ook geld bijeen, dat werd gestort in het anti-Apartheidsfonds.
De andere twee veroordelingen dateren al uit 1934. De eerste betrof een radicale socialist die tijdens een openbaar debat had geroepen 'Een God die de tuberculosebacil heeft geschapen, is geen God maar een misdadiger'. Hij werd veroordeeld tot een boete van 30 gulden. Verder werd een Amsterdamse anarchist tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij smalend had gesproken over besnijdenis.
Ezeltjesproces
In de loop der tijd werd door justitie ook een aantal andere zaken voor de rechter gebracht, maar deze kwamen niet tot een veroordeling. De meest geruchtmakende zaak was het zogenaamde 'ezeltjesproces' tegen schrijver Gerard Reve. Hij schreef hoe God zou terugkeren als een ezel waarmee hij geslachtsgemeenschap zou hebben. In het arrest waarmee Reve vrijuit ging, ging de Hoge Raad in op de parlementaire geschiedenis van de wet. Een vereiste voor strafwaardigheid is dat de verdachte echt de bedoeling moet hebben gehad om te kwetsen. Van die bedoeling was bij Reve niets gebleken, aldus de Hoge Raad.
Daarna hebben verschillende personen en instanties nog wel pogingen gedaan om het Openbaar Ministerie tot vervolging te bewegen, maar vergeefs. Justitie is ervan overtuigd dat het opzettelijk smalende karakter van godslastering niet of nauwelijks te bewijzen valt. In 2005 werd dat nog weer bevestigd naar aanleiding van een klacht van de Bond tegen het Vloeken over NRC -columnist Frits Abrahams.
Naar aanleiding van een rooms-katholiek boekje uit 1907 over het sterven van een kind, schreef hij in banale bewoordingen dat een god die voor zijn eigen gerief kinderen tot zich roept, niet anders kan zijn dan een wellustige pedofiel. Het OM besliste: ,,De jurisprudentie leert dat uitlatingen, hoewel op zichzelf mogelijk grievend en kwetsend, contextueel dienen te worden begrepen en dat daarmee het beledigende karakter eraan kan komen te vervallen.'' Geen vervolging dus.
Godsbegrip
Schrijver Gerard Reve bediende zich tijdens het ezeltjesproces van min of meer dezelfde argumentatie, toen hij bij de behandeling van de rechtszaak het laatste woord voerde. ,,Het is helemaal geen kwestie van smaling of gegriefdheid. Het is niets anders dan een, overigens geenszins door mij gezochte, godsdiensttwist. Het is de plaatsing van het ene godsbegrip, van het ene godsbeeld tegenover het andere, en ik meen niet, meneer de president, dat het de taak van uw college zou zijn het ene godsbeeld tegen het andere te verdedigen, en dat is toch wat mijn wederpartijders van u eisen'', sprak Reve. Daarmee verdedigde hij, hoe godslasterlijk zijn geschrift ook was, een godsbeeld dat hij er naar zijn eigen indruk best op na zou mogen houden.
Door de vrijspraak van Reve werd duidelijk dat ieder over God mag spreken zoals hij wil. Zolang iemand stelt dat z'n woorden niet beledigend zijn bedoeld en/of overeenstemmen met het eigen godsbeeld, is in juridisch opzicht de kous af. Zo bezien is artikel 147 inderdaad een dode letter. De vraag blijft of van het schrappen ervan geen verkeerd signaal uitgaat, namelijk dat godslastering voortaan gewoon mag.
Sinds de invoering in 1932 heeft strafwetartikel 147 tot slechts drie veroordelingen geleid. In 1965 werd de latere hoogleraar Bram de Swaan veroordeeld voor zijn bijdrage aan het 'Extra Jezusnummer' van het studentenweekblad Propria Cures . Hij noemde Jezus 'de welbespraakte, door actieve zelfstudie opgeklommen timmermanszoon'. De Swaan dacht een deel van het evangelie in een 'lollig' jasje te hebben gestoken en gebruikte verder termen als 'volksmenner', 'gebedsgenezer', 'gynaecoloog', 'kampioen-surf-rider' en 'amateur-ombudsman'.
De rechter achtte dat ,,smalend, verachtend, grovelijk spottend of honend ten opzicht van de persoon Jezus Christus''. De Swaan kreeg een boete van honderd gulden, die een oom voor hem betaalde. Studenten brachten ook geld bijeen, dat werd gestort in het anti-Apartheidsfonds.
De andere twee veroordelingen dateren al uit 1934. De eerste betrof een radicale socialist die tijdens een openbaar debat had geroepen 'Een God die de tuberculosebacil heeft geschapen, is geen God maar een misdadiger'. Hij werd veroordeeld tot een boete van 30 gulden. Verder werd een Amsterdamse anarchist tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij smalend had gesproken over besnijdenis.
Ezeltjesproces
In de loop der tijd werd door justitie ook een aantal andere zaken voor de rechter gebracht, maar deze kwamen niet tot een veroordeling. De meest geruchtmakende zaak was het zogenaamde 'ezeltjesproces' tegen schrijver Gerard Reve. Hij schreef hoe God zou terugkeren als een ezel waarmee hij geslachtsgemeenschap zou hebben. In het arrest waarmee Reve vrijuit ging, ging de Hoge Raad in op de parlementaire geschiedenis van de wet. Een vereiste voor strafwaardigheid is dat de verdachte echt de bedoeling moet hebben gehad om te kwetsen. Van die bedoeling was bij Reve niets gebleken, aldus de Hoge Raad.
Daarna hebben verschillende personen en instanties nog wel pogingen gedaan om het Openbaar Ministerie tot vervolging te bewegen, maar vergeefs. Justitie is ervan overtuigd dat het opzettelijk smalende karakter van godslastering niet of nauwelijks te bewijzen valt. In 2005 werd dat nog weer bevestigd naar aanleiding van een klacht van de Bond tegen het Vloeken over NRC -columnist Frits Abrahams.
Naar aanleiding van een rooms-katholiek boekje uit 1907 over het sterven van een kind, schreef hij in banale bewoordingen dat een god die voor zijn eigen gerief kinderen tot zich roept, niet anders kan zijn dan een wellustige pedofiel. Het OM besliste: ,,De jurisprudentie leert dat uitlatingen, hoewel op zichzelf mogelijk grievend en kwetsend, contextueel dienen te worden begrepen en dat daarmee het beledigende karakter eraan kan komen te vervallen.'' Geen vervolging dus.
Godsbegrip
Schrijver Gerard Reve bediende zich tijdens het ezeltjesproces van min of meer dezelfde argumentatie, toen hij bij de behandeling van de rechtszaak het laatste woord voerde. ,,Het is helemaal geen kwestie van smaling of gegriefdheid. Het is niets anders dan een, overigens geenszins door mij gezochte, godsdiensttwist. Het is de plaatsing van het ene godsbegrip, van het ene godsbeeld tegenover het andere, en ik meen niet, meneer de president, dat het de taak van uw college zou zijn het ene godsbeeld tegen het andere te verdedigen, en dat is toch wat mijn wederpartijders van u eisen'', sprak Reve. Daarmee verdedigde hij, hoe godslasterlijk zijn geschrift ook was, een godsbeeld dat hij er naar zijn eigen indruk best op na zou mogen houden.
Door de vrijspraak van Reve werd duidelijk dat ieder over God mag spreken zoals hij wil. Zolang iemand stelt dat z'n woorden niet beledigend zijn bedoeld en/of overeenstemmen met het eigen godsbeeld, is in juridisch opzicht de kous af. Zo bezien is artikel 147 inderdaad een dode letter. De vraag blijft of van het schrappen ervan geen verkeerd signaal uitgaat, namelijk dat godslastering voortaan gewoon mag.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.





RSS