Dossier
Vrede tussen geloof en wetenschap
Dit artikel komt voor in dossier: Geloof en Wetenschap
Geplaatst: 01 december 2008 15:50, laatste wijziging: 02 december 2008 10:16
door Cees Dekker
Geloof en wetenschap zijn wezenlijke aspecten van het leven van Cees Dekker. Wetenschap raakt zijn fascinatie voor de wereld en is iets waar hij met enthousiasme heel veel tijd en energie in stopt. Godsgeloof is de grond van zijn bestaan en de diepste rijkdom van zijn leven, maar het brengt ook innerlijke worstelingen mee.
1 reactie
De relatie tussen beide is complex en evolueert: er waren stormachtige perioden, na lang zoeken heeft hij vrede tussen beide gevonden. Dinsdag overhandigt Cees Dekker aan minister-president Jan Peter Balkenende het eerste exemplaar van zijn nieuwe boek Geleerd en Gelovig met persoonlijke verhalen van tweeëntwintig christelijke wetenschappers over hun leven, werk en God. Hieronder een ingekorte versie van het hoofdstuk van Dekker zelf.
Midden jaren negentig ging ik dieper nadenken over de relatie tussen geloof en wetenschap. In de praktijk neigde ik naar een boedelscheiding tussen het werk op het lab en het uitleven van mijn geloof daarbuiten. Uiteindelijk ging het daar bij mij wringen, omdat ik aanvoelde dat er op een dieper niveau wel degelijk een koppeling tussen beide was. En belangrijker: dat daar mogelijk zelfs een conflict lag.
Heel diep van binnen zwierf bij mij de vage twijfel dat uiteindelijk toch alles verklaard kan worden door de wetenschap en dat God dus niet bestaat, dat godsgeloof weliswaar een subjectieve persoonlijke waarde kan hebben, maar geen aanspraak kan doen op universele waarheid. Ik ervoer de noodzaak om deze gedachte diepgaand te onderzoeken, enerzijds vanuit een gevoel van verantwoordelijkheid - omdat ik een gelovig wetenschapper was die de relatie tussen beide moest kunnen verantwoorden naar anderen -, anderzijds vanuit een persoonlijke existentiële twijfel over het bestaan van God, over de grond van het bestaan, en meer in het bijzonder de grond van mijn bestaan.
Zoektocht
Ik begon een nieuwe zoektocht, in een interne discussie met mijzelf, gedachten wikkend en wegend - daarbij geholpen door de omvangrijke literatuur rond God, wetenschap, en evolutie. Voor mij was dit een hernieuwde zoektocht naar waarheid. Ik beliep deze route in het besef dat ik kon uitkomen bij een conclusie die ik heel diep van binnen vreesde: dat God misschien wel niet bestaat en dat er geen rationele basis is voor mijn geloof. Dat zou mij intens verdrieten, want het zou mij het dierbaarste ontnemen dat ik kende. Maar als de conclusie onontkoombaar was, zou ik de consequentie aanvaarden. Want ik wilde één van wezen zijn, niet in twee werelden leven, maar beide bij elkaar brengen.
De discussie spitste zich toe op evolutie. Als kind van mijn tijd van decennia van polarisatie rond schepping en evolutie, was ook ik gevangen in de spagaat dat het kiezen was tussen twee opties: de wetenschappelijke grand story of life van een spontane toevallige ontwikkeling van oerknal tot mens, of een christelijk alternatief dat uitging van schepping door God. Mijn achtergrond was divers: opgegroeid in de synodaal-gereformeerde kerk was evolutie eigenlijk helemaal geen probleem - God was Schepper en evolutie was de manier waarop Hij de wereld had gemaakt. Deze visie was de erfenis van een halve eeuw arbeid van de gereformeerde bioloog Jan Lever (al wist ik dat toen niet). In de jaren zeventig, mijn studententijd, kwam echter een tegenbeweging op. De EO organiseerde een congres onder het thema 'Adam of Aap?', waar een creationistisch gedachtegoed werd gepusht en evolutie zwaar werd bekritiseerd.
Ik heb mij nooit echt met het creationisme kunnen verbinden. Ik had vanaf het begin een intuïtieve scepsis ten opzichte van zijn speculatieve claims. Creationisten weten altijd creatieve ad hoc oplossingen te vinden voor specifieke problemen, maar het totaalplaatje vond ik volstrekt niet overtuigend.
Desondanks beïnvloedde het creationisme me. Waarschijnlijk heeft dat als oorzaak dat het creationisme vervlochten was met de evangelische beweging die mij lief was vanwege haar gerichtheid op Christus, op de persoonlijke relatie tussen God en mens, en op de waarde van de Bijbel. De insteek dat we de woorden van de eerste Bijbelhoofdstukken serieus moeten nemen als Gods openbaring had een heldere aantrekkingskracht op mij.
De vraag is natuurlijk wat het precies betekent om deze teksten serieus te nemen. De creationist leest het als een natuurhistorisch verslag van de wording van de wereld, en het is me pas de laatste jaren helder geworden dat dit een erg eenzijdige manier van lezen van deze tekst is, die wel eens helemaal niet de werkelijke bedoeling van deze teksten kan betreffen.
Tegenover de creationisten stonden mensen als evolutiebioloog en overtuigd atheïst Richard Dawkins. Ik las zijn boekenlange claims en was geïntrigeerd en geïntimideerd door de claim dat geloof in God had afgedaan, gezien de nieuwe inzichten uit met name de evolutiebiologie. Maar ik las ook de boeken van Dawkins-opponenten als Phillip Johnson, een jurist en expert in argumentatieleer, die het fundamentele punt benadrukte dat veel van de stuitende claims van Dawkins geen wetenschappelijke, maar levensbeschouwelijke claims waren. Ik werd me door zijn boeken meer bewust van de wetenschapsfilosofie die achter wetenschap ligt. Is wetenschap één op één gekoppeld aan naturalisme - de bewering dat natuur alles is wat er is - of is er ook theïstische wetenschap mogelijk? Ik herinner me nog dat alleen de mogelijkheid van zoiets als theïstische wetenschap voor mij een openbaring was die me wekenlang in gedachten bezig hield.
Intelligent Design
Via Johnson belandde ik bij een nieuwe stroom Amerikaanse literatuur rond 'Intelligent Design' (ID), de idee dat er een ontwerp ten grondslag ligt aan de natuur. Ik was door mijn lees- en denkwerk langzaam al tot de conclusie gekomen dat er iets als een intelligentie, een ontwerp aan de wereld ten grondslag ligt, en dat niet alles aan toeval valt toe te schrijven. Wat me echter vooral intrigeerde in bijvoorbeeld het boek De zwarte doos van Darwin van Behe was dat hij stelde dat ontwerp wetenschappelijk aan te tonen viel. Ik vond het een interessant idee dat je ontwerp misschien kon meten en modelleren.
Samen met René van Woudenberg en Ronald Meester redigeerde ik Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp . De publicatie hiervan in 2005 deed een mediastorm over Nederland razen. Deels kwam dit door de inhoud van het boek, waarin een aantal wetenschappers zich kritisch uitsprak over te sterke claims van het darwinisme - een geluid dat weinig gehoord wordt. Maar minstens zo sterk werd de media-aandacht veroorzaakt door een weblog van Maria van der Hoeven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Ik had met haar gesproken over de vraag hoe er meer ruimte zou kunnen komen voor een positieve discussie rond wetenschap en levensbeschouwing. Op haar weblog schreef zij dat ze mogelijkheden zag om via de ID-gedachte ,,wetenschappers van verschillende geloofsrichtingen met elkaar te verbinden, wat uiteindelijk misschien zelfs wel kan worden toegepast op scholen en in lessen''. Dit leidde tot politieke en journalistieke oproer.
Hectisch
Dit was voor mijzelf een zeer hectische tijd. Het was vechten tegen de bierkaai om in de krant niet automatisch te worden neergezet als een antiwetenschappelijke, anti-evolutie creationist. Het is onmogelijk om te beheersen wat mensen over je schrijven en ongewild werd ik zo ongeveer de woordvoerder voor ID in Nederland. Dat was meer dan ik wilde, want hoewel ik een sympathisant was van het idee van ID, was ik geenszins anti-evolutie of geheel overtuigd van ID als wetenschappelijk concept.
De discussie rond ID was - mede door de setting in de Verenigde Staten - zo gepolariseerd dat een genuanceerde discussie moeilijk te voeren was. Bovendien liepen er vele discussies door elkaar heen: ontwerp versus toeval, complexiteit in de natuur, de evolutie van het leven, het mechanisme voor die evolutie, schepping en evolutie, wetenschapsfilosofie, de relatie geloof-wetenschap, evolutie in het onderwijs, etc. Allemaal op zichzelf belangwekkende zaken, maar door elkaar gehutseld leverde het een verwarrend debat op.
Mijn eigen visie was inmiddels te karakteriseren als die van een theïstische evolutionist: God is schepper en Zijn scheppingswerk heeft Hij voltrokken door middel van evolutionaire processen. De idee van evolutie had voor mij lang niet meer de existentiële lading die het jaren eerder wel had. Ik was met name door het wetenschapsfilosofische inzicht - door een beter begrip van wat wetenschap en wat geloof is - bevrijd van de hopeloze spagaat van het moeten kiezen voor de wetenschap òf voor het creationisme. Ik geloof nu van harte dat God schepper is, èn dat Hij geschapen heeft door een proces van evolutie.
Door mijn voortdurend verbredende kennis van de moleculaire biologie ben ik in toenemende mate onder de indruk gekomen van de eenheid van het biologische leven: alle vormen van leven, van bacterie tot plant tot dier tot mens kennen dezelfde moleculaire componenten, hetzelfde DNA en heel soortgelijke eiwitten. Op celniveau heeft alle leven dezelfde structuur, de mens daarbij niet uitgezonderd. Voor de evolutie van het leven zijn allerlei bewijzen, de fossielen, homologieën, de geografische verspreiding van de soorten, de gegevens vanuit de genetica. Voor mij staan die laatste gegevens het dichtste bij en zijn ze zeer overtuigend.
Als dit overtuigend is, hoe moeten we dan de Bijbelteksten lezen die spreken over de schepping door God? De eerste hoofdstukken uit de Bijbel zijn essentiële openbaringen van God die ons een aantal waarheden van het allergrootste belang leren: dat God de Schepper is van de hele geestelijke en materiële wereld, dat de mens geschapen is naar Gods beeld, dat de mens geschapen is als man en vrouw, dat er goed en kwaad is en dat de mens dit onderscheid kent, dat de mens een bestemming heeft (leven in relatie met Zijn Schepper en de schepping), dat de mens wil heersen, macht wil hebben, wil 'zijn als God', verkeerde keuzes maakt en daardoor zijn bestemming mist en in een gebroken wereld leeft. En deze eerste hoofdstukken van de Bijbel wijzen zelfs al vooruit naar de uitnodiging tot herstel van de relatie met God door Jezus Christus.
Bijna al deze cruciale punten betreffen echter zaken van niet-materiële aard. Met als uitzondering natuurlijk de schepping van de materiële wereld. Wat leren we daarover uit Genesis? De symboliek van het verhaal in Genesis is overduidelijk en de tekst is literair prachtig gearrangeerd. Dit duidt er al op dat het verhaal niet bedoeld is als een natuurhistorisch verslag.
Ik meen dat de Bijbeltekst helemaal niet geschreven is met het doel om ons te informeren over het feit dat dieren eerder werden geschapen dan de mens, zoals verhaald in Genesis 1, of andersom, zoals je zou kunnen concluderen uit het scheppingsverhaal van Genesis 2. Deze teksten hebben in eerste instantie een theologische betekenis. Maar dat laat onverlet dat er hier cruciale historie wordt verhaald. De startzin van de Bijbel: ,,In den beginne schiep God de hemel en de aarde..'' is een historische uitspraak van het allergrootste formaat. Het stelt dat God, die er altijd was, de Schepper is van alles wat is, en dat alles wat wij om ons heen zien zelf niet goddelijk is maar schepping. Het navolgende verhaal vertelt over de wording van alle elementen van ons universum: kosmos, zonnestelsel, aarde, planten, dieren en uiteindelijk de mens.
Altijd betrokken
Door buitenstaanders wordt Gods activiteit in de wereld nogal eens begrepen als een aantal incidentele speciale ingrepen in een onafhankelijke wereld waar de natuurwetten zelfstandig hun werk doen. Dit is echter niet het christelijke beeld. De Bijbel maakt duidelijk dat God op èlk moment in de geschiedenis betrokken is bij de wereld ('Alles bestaat in Hem'; 'Hij draagt de wereld'; zie Kolossenzen. 1:16-17; Handelingen 17:28; Hebreeën 1:3), van Zijn allereerste scheppingsdaad tot op de dag van vandaag. Uit dat oogpunt is het helemaal niet verbazend dat wij Gods werk mogen zien in wat wij beschrijven met natuurwetten, of dit nu de groei van een plant betreft, de geologische formatie van een berg of de ontwikkeling van een soort.
Theïstische evolutie omvat de idee dat we de natuur onderzoeken met behulp van de wetenschap, de menselijke activiteit waar wij ons door de Schepper gegeven verstand gebruiken om Zijn schepping te doorgronden. Maar tegelijk behelst het het vaste geloof dat God de auteur is van die natuurwetten, dat hij werkelijk Schepper is. God is soeverein en almachtig en zou kunnen scheppen op elke wijze die Hij zou verkiezen, maar Hij heeft er blijkbaar voor gekozen grotendeels te scheppen via secundaire oorzaken, via processen die wij normaliter beschrijven met natuurwetten.
Veel christenen zullen hiermee kunnen instemmen, maar aarzelen rond de oorsprong van de mens. Stamt de mens af van een hominide , een mensaapachtige voorouder, of is de mens een ex nihilo , een speciale schepping van God? Puur materieel bezien ben ik van het eerste overtuigd geraakt. Maar de vraag is of het stoffelijke DNA van de mens wel zijn essentie beschrijft. Immers, wat maakt de mens uniek? Hoewel wij op DNA-niveau sterk lijken op chimpansees, bestaat er tegelijk een radicaal verschil tussen mens en dier. De mens kent een mate van abstract denken, zelfbeschouwing, tijdsbesef, hoogontwikkelde taal, empathie, ethiek, geweten en godsbesef dat zijn weerga niet kent bij het dier. Het is met name de opmerkelijke menselijke geest die de mens karakteriseert.
Relatie
Maar wat uiteindelijk de mens tot mens maakt, is dat God juist dit wezen heeft uitgekozen om een speciale relatie mee aan te gaan. In Bijbels perspectief is de mens uniek vanwege de bijzondere mogelijkheid dat hij een communicatieve relatie kan aangaan met zijn Schepper. Ik stel me voor dat een primitieve hominide als 'stof' diende voor de schepping van de mens, de adam. Het 'stof der aarde' waar God de mens uit maakte (Gen. 2:7) is tenslotte hetzelfde materiaal als waar ook de dieren uit gemaakt zijn (Gen. 2:19). Maar het paradijsverhaal vertelt ons ook dat het God was die adam de ziel inblies en alleen dit schepsel mens naar zijn beeld schiep (Gen. 1:27). Hoe is dit historisch te duiden? Niemand die dit precies weet, maar een scenario dat verenigbaar is met alle wetenschappelijke en Bijbelse gegevens is dat God in zijn wijsheid en genade op een gegeven moment in de geschiedenis heeft besloten 'het project mens' te starten, waar Hij zich voor het eerst persoonlijk openbaarde aan twee van zijn schepselen, Adam en Eva. Zij waren de eerstelingen die een relatie konden aangaan met hun Schepper God.
De idee dat de mens voortkomt uit een hominide roept theologische vragen op - vragen die voor de evangelische beweging relatief nieuw zijn, maar waar in de katholieke en protestantse traditie al langer over nagedacht is: Hoe moeten wij het verhaal van de zondeval begrijpen, een essentieel element van de christelijke heilsgeschiedenis? Hoe zit het met erfzonde? Verandert het karakter van Christus' verzoeningswerk door dit gegeven?
En als we de letterlijke lezing van Genesis 1-3 loslaten, starten we dan niet een eindeloos vervolgproces - immers, hoe zit het met de andere verhalen in het boek Genesis, de toren van Babel, de zondvloed, de lange leeftijden van de aartsvaders, etc? Dit zijn moeilijke vragen en er moet nog veel denkwerk worden verricht, maar ik ben er inmiddels sterk van overtuigd geraakt dat de ingezette lijn de juiste is. Immers, als er een conflict lijkt te zijn tussen het scheppingsverhaal en wat wij uit wetenschappelijke waarneming van de natuur concluderen, dan geloof ik dat we óf onze wetenschap foutief interpreteren óf de Bijbel foutief interpreteren, want de God van het woord is dezelfde als de God van de wereld.
Het is niet gemakkelijk natuurwetenschap te bedrijven, de natuur correct te lezen. Het is ook niet gemakkelijk om de Bijbel te lezen, Gods wil te onderkennen. Maar het kan wel, door de genade van God en het licht van Zijn Geest.
Vragen en antwoorden
Evolutie heeft voor mij, anders dan vijftien jaar terug, geen negatieve klank meer. Sterker nog, ik ben gefascineerd geraakt door de evolutiebiologie. In ons eigen lab in Delft zijn we onderzoek gestart waar we fundamentele processen in de evolutie van bacteriën experimenteel willen testen in landschappen die we zelf met nanotechnologie op chips maken.
Mijn evaluatie van Intelligent Design is kritischer geworden: ik geloof sterk dat er een ontwerp, een intelligentie ligt achter de zichtbare wereld, maar ik ben sceptisch geworden ten opzichte van de claim van ID, dat je een ontwerp van bepaalde natuurlijke structuren op een wetenschappelijke manier kunt aantonen. Het is eenvoudigweg erg moeilijk om de functionaliteit van een object te kwantificeren zonder ook de hele omgeving in beschouwing te nemen. Ik heb er nog geen overtuigende voorbeelden van gezien, en zonder dat blijft ID een filosofische discussie over ontwerp of toeval. Daar is niets mis mee, maar het is geen natuurwetenschap.
Ik ben iemand die zichzelf altijd vragen stelt: Wie ben ik? Wat is de zin van het leven? Wat is de oorsprong van alles? Wat is mijn plaats en taak in deze wereld? Is God er? Wie is Hij? Ga ik met die God op weg? Dat is uiteindelijk de keus die elk mens maakt. Op weg met Hem. Of juist Hem ontwijkend, te geconcentreerd op het eigen ik. Antwoorden op die vragen komen niet door stil te zitten en louter te piekeren. Je komt alleen tot antwoorden als je zelf oprecht aan de slag gaat met de vragen. Het is voor mij een geweldige ervaring geweest om te merken dat antwoorden zich laten ontdekken, en dat ik ben uitgekomen bij een wereldbeeld waarin God het fundament is.
Dr. Cees Dekker is universiteitshoogleraar aan de TU Delft. Hij redigeerde de bundel 'Geleerd en gelovig - 22 wetenschappers over hun leven, werk en God. Ten Have, Baarn, 340 pag. € 24,95
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.
Reacties (1)
GerdiendeJong (02 december 2008 11:26)
Cees Dekker is terug bij de oorspronkelijke synodale positie, na veel onnodig stof op te hebben laten waaien. Hij zou toch gezien moeten hebben dat 'Adam of Aap' geen poot had om op te staan, en dat de boeken van Johnson, Behe etc wel bijzonder knap geschreven propaganda zijn, maar geen wetenschappelijke inhoud hebben. In 'Schitterend Ongeluk' schrijft Dekker nog regelrecht alle creationistische websites over. Dekker heeft nooit de moeite gedaan een evolutiebiologie boek te lezen: geen wetenschapper gaat toch op Dawkins af?





RSS