Kerk
'In toekomst minder pretenties in zending'
Geplaatst: 18 april 2008 08:08, laatste wijziging: 18 april 2008 08:08
van onze redactie kerk
ZWOLLE - De vrijgemaakt-gereformeerde zending zou in de toekomst minder pretentieus te werk moeten gaan. Die persoonlijke les trekt universitair hoofddocent dr. Ad de Bruijne na ontstane problemen in Congo en op Papua.
Beide zendingsgebieden kwamen de afgelopen maanden in het nieuws: op Papua kwam het tot een vertrouwensbreuk tussen de kerken daar en de Nederlandse instanties, onder meer verbeeld via de documentaire Missionary go home ; in Congo bouwen de vrijgemaakt-gereformeerden momenteel alle hulp- en zendingsactiviteiten noodgedwongen af.
In kerkblad De Reformatie vraagt de Kamper docent zich af of er lessen te trekken zijn: ,,Wil de HERE ons misschien iets duidelijk maken in deze teleurstellingen binnen het zendingswerk?'' Zelf kijkt de docent dan naar vrijgemaakt-gereformeerde pretenties (deels uit het verleden) en naar het ,,positief gekleurde kolonialisme'' van de vrijgemaakt-gereformeerde zending. Met dat laatste bedoelt hij dat eigen gevoel van superioriteit vermengd werd met oprechte betrokkenheid en meevoelendheid. ,,Je gunt ook hun het niveau waarop je zelf leeft. Omdat je de ander en zijn cultuur beschouwt als minder, neem je een bevoogdende houding aan. De ander heeft jou nodig'', beschrijft hij. ,,Er bestond een neiging om de Nederlandse kerkgeschiedenis (ook uit de twintigste eeuw, tot en met de Vrijmaking en verder) én de Nederlandse theologie op wereldschaal onmisbaar te vinden.'' Hoewel dit met de beste bedoelingen gebeurde, ,,moet je denk ik achteraf zeggen dat daarmee de vrijheid van het evangelie om zich in elke context zelf door te zetten, is beperkt.''
Kolonialisme
De Bruijne: ,,Wat mij betreft moeten onze actuele zendingsproblemen ons aan het denken zetten over deze vormen van positief kolonialisme, met een speciale nadruk op de christelijke of zelfs typisch vrijgemaakte extra's daarin. Behalve relativeren, oplossingen zoeken en misschien ergens anders in de wereld met frisse moed opnieuw beginnen, passen daarom ook bescheidenheid en verootmoediging. God heeft ons dus toch niet nodig bij zijn wereldwijde werk...''
De Bruijne benadrukt dat het ,,evangelie veel beter verspreid kan worden door mensen uit een bepaalde cultuur of samenleving zelf dan door ingevlogen mensen van elders, bijvoorbeeld uit Nederland.''
Dan denkt hij ook aan westerse docenten die in de Derde Wereld doceren. ,,Als het maar enigszins kan, is het toch beter wanneer lokale docenten die taak vervullen, zelfs als ze in bepaalde opzichten veel minder in huis hebben.''
Koppelverkoop
Verder plaatst De Bruijne vraagtekens bij de koppeling tussen zending en hulpverlening. Onbedoeld kan het al snel koppelverkoop worden tussen het brengen van het evangelie en praktische hulp. ,,Ook vanuit de kant van het evangelie zelf kun je er vragen bij stellen. Moet de aanpassing van de werker aan zijn nieuwe omgeving in sommige situaties niet juist betekenen dat je deelt in de armoede in plaats van deze op te heffen vanuit jouw rijkdom?''
En: ,,Is het wel zo goed dat wij termijnen hanteren voor uitzending, die steevast uitlopen op definitieve repatriëring?
Rooms-katholieke werkers blijven vaak levenslang. Ze zijn dan vaak ook niet getrouwd en hebben geen kinderen. Is het wel echte aanpassing als westerlingen temidden van de lokale bevolking verblijven in beveiligde wijken, met duurdere huizen, relatieve luxe en een heel andere levensstandaard?'' Als je persoonlijke situatie zo'n aanpassing niet toelaat, ,,zou je dan niet moeten concluderen dat daar dus niet je roeping ligt? Misschien wel, maar wil je zulke offers niet opbrengen? Moet je dan wel gaan?''
Daarin ligt volgens hem een gezamenlijk probleem voor westerse christenen. ,,Wij zijn zo aan onze cultuur gewend dat we die maar moeilijk zouden kunnen prijsgeven om alleen het evangelie van Christus over te houden'', besluit De Bruijne.
In kerkblad De Reformatie vraagt de Kamper docent zich af of er lessen te trekken zijn: ,,Wil de HERE ons misschien iets duidelijk maken in deze teleurstellingen binnen het zendingswerk?'' Zelf kijkt de docent dan naar vrijgemaakt-gereformeerde pretenties (deels uit het verleden) en naar het ,,positief gekleurde kolonialisme'' van de vrijgemaakt-gereformeerde zending. Met dat laatste bedoelt hij dat eigen gevoel van superioriteit vermengd werd met oprechte betrokkenheid en meevoelendheid. ,,Je gunt ook hun het niveau waarop je zelf leeft. Omdat je de ander en zijn cultuur beschouwt als minder, neem je een bevoogdende houding aan. De ander heeft jou nodig'', beschrijft hij. ,,Er bestond een neiging om de Nederlandse kerkgeschiedenis (ook uit de twintigste eeuw, tot en met de Vrijmaking en verder) én de Nederlandse theologie op wereldschaal onmisbaar te vinden.'' Hoewel dit met de beste bedoelingen gebeurde, ,,moet je denk ik achteraf zeggen dat daarmee de vrijheid van het evangelie om zich in elke context zelf door te zetten, is beperkt.''
Kolonialisme
De Bruijne: ,,Wat mij betreft moeten onze actuele zendingsproblemen ons aan het denken zetten over deze vormen van positief kolonialisme, met een speciale nadruk op de christelijke of zelfs typisch vrijgemaakte extra's daarin. Behalve relativeren, oplossingen zoeken en misschien ergens anders in de wereld met frisse moed opnieuw beginnen, passen daarom ook bescheidenheid en verootmoediging. God heeft ons dus toch niet nodig bij zijn wereldwijde werk...''
De Bruijne benadrukt dat het ,,evangelie veel beter verspreid kan worden door mensen uit een bepaalde cultuur of samenleving zelf dan door ingevlogen mensen van elders, bijvoorbeeld uit Nederland.''
Dan denkt hij ook aan westerse docenten die in de Derde Wereld doceren. ,,Als het maar enigszins kan, is het toch beter wanneer lokale docenten die taak vervullen, zelfs als ze in bepaalde opzichten veel minder in huis hebben.''
Koppelverkoop
Verder plaatst De Bruijne vraagtekens bij de koppeling tussen zending en hulpverlening. Onbedoeld kan het al snel koppelverkoop worden tussen het brengen van het evangelie en praktische hulp. ,,Ook vanuit de kant van het evangelie zelf kun je er vragen bij stellen. Moet de aanpassing van de werker aan zijn nieuwe omgeving in sommige situaties niet juist betekenen dat je deelt in de armoede in plaats van deze op te heffen vanuit jouw rijkdom?''
En: ,,Is het wel zo goed dat wij termijnen hanteren voor uitzending, die steevast uitlopen op definitieve repatriëring?
Rooms-katholieke werkers blijven vaak levenslang. Ze zijn dan vaak ook niet getrouwd en hebben geen kinderen. Is het wel echte aanpassing als westerlingen temidden van de lokale bevolking verblijven in beveiligde wijken, met duurdere huizen, relatieve luxe en een heel andere levensstandaard?'' Als je persoonlijke situatie zo'n aanpassing niet toelaat, ,,zou je dan niet moeten concluderen dat daar dus niet je roeping ligt? Misschien wel, maar wil je zulke offers niet opbrengen? Moet je dan wel gaan?''
Daarin ligt volgens hem een gezamenlijk probleem voor westerse christenen. ,,Wij zijn zo aan onze cultuur gewend dat we die maar moeilijk zouden kunnen prijsgeven om alleen het evangelie van Christus over te houden'', besluit De Bruijne.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.





RSS