Commentaar
Moeite met kinderdoop vraagt onderwijs
Geplaatst: 12 december 2006 10:12, laatste wijziging: 12 december 2006 10:12
door ds. Marten de Vries
In de krant van zaterdag vergelijkt dr. J. Douma onder de titel ‘Een dubbel paspoort’ Marokkanen die zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezitten, met broeders en zusters die zich ergens laten overdopen en tegelijk lid in volle rechten van hun Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) wensen te blijven. Het artikel trok extra mijn aandacht, niet alleen omdat ik vanwege mijn speciale opdracht als missionair predikant in een islamgedomineerde omgeving en door mijn directe woonomgeving dagelijks Marokkanen ontmoet. Ook omdat in de kerk waaraan ik als predikant verbonden ben, momenteel structureel groepsgewijs gesproken wordt over kinder- en volwassendoop. Dit gebeurt op basis van de gereformeerde belijdenis, maar de aanleiding is de realiteit dat voor menig positief meelevend lid de kinderdoop niet meer iets vanzelfsprekends is.
Het kerkenraadsbeleid dat Douma bepleit, is om in geval van herdoop, in plaats van een lastige tuchtprocedure op te starten, een feitelijke onttrekking te constateren. Dit lijkt me goed verdedigbaar tegenover mensen die voldoen aan het profiel dat Douma schetst: schaamteloze lieden die met een beroep op wat de Geest hun heeft ingegeven, als was het de gewoonste zaak van de wereld, terugkomen op het jawoord dat ze eerder voor God en zijn gemeente op de gereformeerde belijdenis gaven. En die onbescheiden gelijke rechten eisen voor (allerlei) meningen die haaks staan op wat gereformeerde kerken in de Drie Formulieren van Enigheid samenbindt. Maar er zijn ook anderen, voor wie dit verhaal niet zomaar opgaat.
Nuances
Dat ik nuances wil inbrengen in de discussie, betekent nadrukkelijk niet dat ik de doop geen essentieel element van de gereformeerde belijdenis zou achten. Als je de kinderdoop verwerpt, wordt je idee over de band die jou met God verbindt, dramatisch anders van karakter. De doop biedt dan uiteindelijk geen troost meer. Immers, waar de kinderdoop het eenzijdige initiatief van God verbeeldt waarop je altijd mag terugvallen, drukt herdoop uit dat het verbond berust op jouw (emotionele) keus. Wat houd je dan over in tijden van persoonlijke crisis en grote geloofstwijfel?
Waar het mij nu om gaat, is dat er gevallen zijn waarin mensen kiezen voor herdoop, die Douma kennelijk niet verdisconteert. Ik noem een paar voorbeelden, waarbij ik put uit eigen waarneming in en buiten Rotterdam.
Denk je een goedgelovige jongeman in die zich onder invloed van anderen liet herdopen, zonder daarbij te overzien of voor zijn rekening te nemen wat dit allemaal betekent. Ook omdat er onvoldoende mensen in zijn directe omgeving zijn die hem pastorale (bege)leiding (kunnen) geven. Maar hij komt ook niet gelijk op zijn wederdoop terug. Hoe groot is eigenlijk het verschil met de broeder, die lange tijd in verwarring is over de kinderdoop maar aan wie niet om die reden de toegang tot het avondmaal wordt ontzegd?
Of neem de zuster die als asielzoekster in een gereformeerde kerk belandde. En ondanks de oosters-orthodoxe achtergrond die ze niet helemaal kon loslaten, op basis van instemming met de Geloofsbelijdenis van Nicea tot het avondmaal is toegelaten. In haar nieuwe omgeving wordt ze minder naamchristen, stelt zich open voor allerlei nieuwe ideeën en op een interkerkelijke conferentie voor Arabischtalige christenen maakt ze gebruik van de gelegenheid zich te laten herdopen. Heeft ze daarmee automatisch het recht weer verspeeld om het avondmaal bediend te krijgen tenzij ze onmiddellijk schuld belijdt?
Er zijn vandaag gereformeerde kerkleden die hun kleine kinderen niet laten dopen. Dit op grond van dezelfde twijfel of overtuiging die anderen ertoe brengt zich te laten overdopen. Mogen ze, zolang onderwijs niet baat, ook geen brood en wijn gebruiken? Of komen zij zelfs buiten de gemeente te staan, maar de broeder van 50 die er nooit toe kan komen om belijdenis te doen niet?
Dan zijn er gemeenteleden die zich (nog) niet laten herdopen, maar wel openlijk de inhoud van zondag 27 over de kinderdoop ter discussie stellen. Hoe handelen kerkenraden met hen? In elk geval worden ze niet zomaar uitgeschreven.
Ten slotte wijs ik nog op de Reformed Baptists, die geen kinderen dopen, maar niettemin een gereformeerde verbondsleer aanhangen. ‘Het enige’ is dat zij aan de doop de betekenis toekennen, die wij geven aan de openbare geloofsbelijdenis. Naar mijn overtuiging een vergissing, gelet op het karakter van de doop. Maar het bestaan van zulke christenen illustreert dat het herders van Christus’ kudde niet past om anderen consequenties op te dringen die zijzelf niet trekken. Om vervolgens daarop beleid te baseren.
Maatregelen
Evenals prof. Douma is mijn drive liefde voor de belijdenis en de gereformeerde kerken en haar leden. Maar de eerste vraag voor de kerkenraden is niet of we hier al dan niet de tucht toepassen, maar hoe we voorkomen dat van binnenuit de belijdenis wordt ontkracht. Dat criterium kan leiden tot verschillende maatregelen. Onder meer dat de kerkenraad in alle liefde, maar met zoveel woorden publiek positie kiest wanneer bekend wordt dat een van de leden zich laat overdopen. Of zich duidelijk distantieert van gemeenteleden die ‘valse leer’ echt verkondigen.
Verder dat volstrekt duidelijk wordt gemaakt dat iemand die de inhoud van zondag 27 over de kinderdoop niet meer voor z’n rekening kan nemen, niet langer als ouderling kan dienen. Hoe zou hij ook pastoraat kunnen bedrijven rondom geboorte en doop? In het verlengde daarvan moet het ook niet gebeuren dat iemand die de kinderdoop openlijk bestrijdt, een verantwoordelijke positie inneemt als lid van bijvoorbeeld een beroepingscommissie, waardoor binnen de gemeente de indruk van relativering wordt gewekt.
Bij het beoordelen van gemeenteleden die het moeilijk hebben met de kinderdoop, gaat het meen ik vooral om de vraag of ze een discipelhouding willen innemen dan wel dat zich opwerpen als (dwaal)leraar. De ene keer volstaat dan voorlopig het pastorale gesprek. De andere keer ligt de maatregel die prof. Douma voorstelt voor de hand. Maar misschien toch ook afhouding van het avondmaal. Tucht gaat toch over leer en leven, ergo: ook over leven én leer?
Marten de Vries werkt als missionair predikant in de Rijnmond.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.




RSS